Onderpresteren

Heb je behoefte aan tips of twijfel je nog of je kind onderpresteert? Lees hier wat ik in 25 jaar lesgeven aan hoogbegaafde kinderen over onderpresteren heb geleerd.

Door Marsha Tap | 30 juli 2026 | Leestijd 4 min

Wat is onderpresteren bij hoogbegaafde kinderen?

Een kind dat thuis scherpe vragen stelt en uren kan opgaan in een onderwerp dat het interessant vindt, maar op school niet uit de verf komt. Klinkt dat bekend? Dan lees je waarschijnlijk terecht deze informatie over onderpresteren.

Wat betekent onderpresteren precies?

Onderpresteren betekent dat een kind langdurig presteert onder het niveau dat past bij zijn of haar mogelijkheden. Dat gaat niet alleen over cijfers. Het gaat net zo goed over inzet, werkhouding, concentratie en zelfstandigheid.

Maar als we het over cijfers hebben, zijn er twee vormen van onderpresteren [1]:

  1. Absoluut: een kind behaalt op een of meerdere gebieden onvoldoende resultaten, terwijl die niet passen bij de cognitieve capaciteiten van een kind. Deze vorm van onderpresteren is het meest opvallend.
  2. Relatief: de resultaten zijn onder verwacht niveau, maar nog wel voldoende/goed. Hierdoor valt het minder op dat een kind onder zijn kunnen presteert.


Er is nog een tweede onderscheid dat de moeite waard is: situationeel tegenover chronisch onderpresteren [1]. Bij situationeel onderpresteren gaat het om één vak of één specifieke situatie. Bij chronisch onderpresteren houdt het patroon langere tijd aan, doorgaans een half jaar of meer. Dat onderscheid is voor de praktijk net zo belangrijk als absoluut/relatief: hoe langer een patroon aanhoudt, hoe meer tijd en begeleiding er meestal nodig is om het weer te keren.


Schattingen lopen uiteen, maar tussen de 15% en 50% van de hoogbegaafde leerlingen presteert onder zijn of haar niveau. Het verschil hangt vooral af van hoe streng onderpresteren wordt gedefinieerd [5].

Onderpresteren komt op alle niveaus voor, bij alle kinderen. Maar hoogbegaafde kinderen hebben er sneller last van, wanneer ze structureel niet op hun eigen niveau worden aangesproken. Thuis zie je misschien een kind dat scherpe vragen stelt, snel denkt en uren kan opgaan in een onderwerp dat het interessant vindt. Op school komt daar weinig van terug: het werk wordt niet afgemaakt, de resultaten vallen tegen, de motivatie zakt weg.

Dat verschil tussen het kind dat je thuis ziet en de leerling die op school naar voren komt, is meestal het eerste signaal dat er iets niet klopt.

Noot:

Niet elke tegenvallende prestatie is meteen onderpresteren. Een kind dat voor het eerst een taak probeert die echt aansluit bij zijn niveau, zal daarin fouten maken - dat hoort bij leren in de zone van de naaste ontwikkeling [2]. Pas wanneer resultaten over een langere periode terugzakken en er een duidelijk patroon zichtbaar wordt, is er reden om verder te kijken.

Waarom presteren hoogbegaafde kinderen onder hun niveau?

Als een bloem niet bloeit,

ga je er niet aan trekken of zeggen dat het een luie bloem is. Maar je onderzoekt natuurlijk wat er aan de omgeving schort.
Te weinig water? Te weinig licht?

Wat heeft deze bloem nodig?

Bij kinderen is het niet anders. Kijk naar:

Te weinig uitdaging?

Wanneer de lesstof structureel te makkelijk is, is het neveneffect dat een leerling iets leert dat uiteindelijk destructief kan zijn: dat leren geen inspanning kost. Zodra er wél iets moeilijks langskomt, ontbreekt de ervaring om daarmee om te gaan. Onderzoek naar compacten van het curriculum laat zien dat een groot deel van reguliere leerstof geschrapt kan worden voor deze leerlingen, zodat er ruimte ontstaat voor werk in de zone van naaste ontwikkeling [4]. 


Te weinig ervaring met doorzetten?

Iemand die gewend is dat dingen vanzelf gaan, schrikt van het eerste probleem dat niet meteen lukt. Liever iets niet proberen dan het risico lopen om het nare gevoel van iets niet meteen kunnen tegen te komen. Zo ontstaat vermijdingsgedrag dat aan onderpresteren ten grondslag kan liggen.

Bij PHI LAB oefenen we met uit de leerkuil gaan met behulp van gereedschappen. Lees ook het blog over de leerkuil.


Onvoldoende ontwikkelde executieve functies?

Hoogbegaafde kinderen denken vaak ver vooruit op hun leeftijd, maar vaardigheden als plannen, doorzetten en jezelf organiseren ontwikkelen zich in hun eigen tempo. Wanneer die vaardigheden achterblijven bij het denkvermogen, wordt een kind al snel gezien als "kan het wel, maar wil het niet", terwijl die eigenlijk nog niet wéét hoe.

Wist je bijvoorbeeld dat veel (denk-)spellen kinderen kunnen helpen bij het oefenen?

Bij PHI LAB hebben we het gericht over executieve functies en hoe je ze kunt ontwikkelen.

Gebrek aan ontwikkelingsgelijken?

Zonder leeftijdsgenoten die op eenzelfde niveau denken, leert een kind zich onbewust aan te passen naar beneden. Dat kan zich uiten in een rol die niet echt bij het kind past, puur om niet op te vallen, met onderpresteren als resultaat.

Een belangrijke methode om een kind met een ontwikkelingsvoorsprong te identificeren is om elke leerling op de eerste schooldag een menstekening te laten maken. Is die ver voorbij de koppoter, dan zou dit kind volgens SIDI-PO een ontwikkelingsvoorsprong kunnen hebben. [6] Waarom dit op de eerste dag moet? Een snelle denker die op zijn eerste schooldag er helemaal klaar voor is om er dingen te leren, ziet andere kinderen tekenen en kan denken: "Oh, zó doen we dat hier." En vervolgens tekent de kleuter precies zoals een kleuter meestal tekent: koppoters. Dit geldt niet alleen voor tekeningen, maar ook voor participatie in de kring (weet het antwoord wel, maar zegt het niet) en taalgebruik (plotseling simpeler dan voorheen). De leerling past zich nu aan en is qua capaciteiten lastiger te identificeren als bovengemiddeld intelligent. 
Back to the Drawing Board is een interessant onderzoek, door Sven Mathijssen, naar tekeningen van jonge hb'ers.

Zo herken je onderpresteren bij een hoogbegaafd kind

Werk wordt niet afgemaakt, of juist slordig en te snel afgeraffeld. Wanneer leerstof niet op niveau is en niet past bij de zone van naaste ontwikkeling van het kind [2], zakt de motivatie om het werk met aandacht te maken. Om het duidelijk te maken, is chargeren iets wat ik soms inzet. Ik vraag ouders dan of zij het hele jaar in een kleuterklas op het puntje van hun stoel zouden blijven zitten als ze het zoveelste vormpje mogen uitprikken. Een dergelijke activiteit is perfect voor het ontwikkelen van de fijne motoriek. Maar wat als je die vaardigheid al heel lang beheerst?

Fouten in opdrachten die eigenlijk prima te doen zouden moeten zijn. Een leerling die normaal moeiteloos foutloos rekent, maakt ineens rekenfouten in sommen die eigenlijk makkelijk voor hem zijn. Dit is een teken dat een leerling niet (meer) op het puntje van zijn stoel zit. De betrokkenheid is afgenomen.

Uitstelgedrag: iets wordt telkens voor zich uitgeschoven. Omdat een leerling in de meeste gevallen van nature wil leren - denk bijvoorbeeld aan Maria Montessori - is er iets aan de hand, wanneer er grote weerstand is voor een bepaalde opdracht. De reden hiervoor moet eerst aandacht krijgen in een gesprek, voor de weerstand weggenomen kan worden. De informatie uit het gesprek vormt de leidraad naar een oplossing.

Wegzakkende motivatie voor school in het algemeen. Een vierjarige gaat naar school met het idee daar veel te gaan leren. Als dit in de praktijk jaar-na-jaar tegenvalt, is het niet gek dat de weerstand voor het naar school gaan groeit. Een van mijn leerlingen moest voor een periode iedere dag van het schoolhek losgemaakt worden en door de conciërge over zijn schouder de school in gedragen worden. Ik heb bewondering voor de moeder die het lukte om haar kind toch bij het schoolhek te krijgen. Maar of deze jongen eenmaal binnengebracht als leerling met volledige inzet aan het werk ging? Je kunt het antwoord wel raden. 

Uitspraken als "ik kan het toch niet" of "het maakt toch niet uit". De overtuiging dat "ik het niet kan", komt voort uit een ongeoefende leerhouding, wat aansluit bij wat in de literatuur een fixed mindset wordt genoemd [3]. Als een leerling nog niet vaak alle zeilen bij heeft hoeven zetten, is het logisch dat die zich wat onbeholpen voelt wanneer er iets gedaan moet worden dat niet meteen lukt. De leerling heeft niet genoeg kunnen oefenen met doorzetten als het moeilijk wordt. Dit zal eerst gericht geoefend moeten worden met opdrachten waarbij - en in een omgeving waarin - de leerling zich veilig genoeg voelt om buiten zijn/haar comfortzone te treden.

Alleen in actie komen als er iets van afhangt, of alleen bij vakken die leuk zijn.
In de praktijk zie ik hier twee herkenbare patronen [1]. Een kind dat selectief produceert. komt pas in actie als er iets op het spel staat - bijvoorbeeld vlak voor het rapport, als een onvoldoende dreigt. Een kind dat selectief consumeert zet zich alleen in voor de vakken waarin het geïnteresseerd is of die het leuk vindt, en leunt bij de rest achterover. Beide vormen ogen als "geen zin hebben", maar de onderliggende oorzaak - motivatie die afhangt van directe noodzaak of van persoonlijke waarde - is iets anders dan pure luiheid.


Deze signalen sluiten aan bij de bredere kenmerken van een hoogbegaafd kind, waaronder asynchrone ontwikkeling en perfectionisme. Onderpresteren staat namelijk zelden op zichzelf; het is vaak een symptoom van een kind dat ergens is vastgelopen, niet van een kind dat "geen zin heeft".

Wat kun je als ouder doen?

Kijk naar de combinatie van signalen over een langere periode, niet naar één losse observatie.

Erken wat je ziet, zonder oordeel. Ga in gesprek met de leerkracht en benoem het verschil tussen thuis en school, niet als verwijt maar als signaal dat er iets speelt. Eventueel kun je een korte video maken die duidelijk maakt wat jij bedoelt. De leerkracht ziet je kind alleen op school - beeldinformatie van thuis geeft een beeld van de leerling buiten schooltijd.

Onderzoek samen wanneer het wél goed gaat. Problemen zijn zelden de hele dag aanwezig. Ga met je kind op zoek naar de momenten waarin het gemotiveerd is, plezier beleeft aan leren, of juist wel doorzet bij een lastige taak. Wat maakt die situaties anders? Die succeservaringen geven je kind inzicht in zijn eigen leerproces en vaardigheden [8].

Uit onderzoek naar zelfdeterminatie blijkt dat een opvoedstijl die autonomie ondersteunt - je kind zelf laten meedenken over een oplossing, in plaats van die voor hem of haar te bedenken - de motivatie sterker bevordert dan een controlerende aanpak [7]. Dat betekent niet dat je als ouder moet loslaten, maar wel dat het helpt om samen met je kind te verkennen wat er nodig is, in plaats van een pasklare oplossing op te leggen.

Vraag aan school of ze het zien zitten om bij wijze van proef een langere periode de stof voor je kind te compacten, verdiepen of versnellen. Zoek tot die tijd echte uitdaging, niet meer van hetzelfde. Want wanneer het lijkt op lopende-band-werk is het voor een schoolgaande hb'er niet uitdagend; het lost verveling niet op.

Oefen bewust met fouten maken. Een kind dat nooit heeft geleerd dat fouten bij leren horen, mist een essentiële vaardigheid voor de rest van zijn schoolloopbaan. Leef voor: vertel aan de eettafel over de fouten die je vandaag maakte en je reactie erop. Het liefst ook wat je ervan geleerd hebt.


Versterk het vertrouwen in eigen kunnen. Onderpresterende kinderen twijfelen vaak aan hun eigen capaciteiten of verwachten al bij voorbaat dat iets niet gaat lukken. Help je kind zicht te krijgen op wat het al kan, welke aanpak eerder heeft gewerkt en welke stappen nodig zijn om een doel te bereiken. Een realistisch vertrouwen in het eigen kunnen vergroot de bereidheid om nieuwe uitdagingen aan te gaan [8].

Zoek contact met ontwikkelingsgelijken. Via interactie met je omgeving vorm je als kind je zelfbeeld. Sociaal-emotionele aansluiting is minstens zo belangrijk als cognitieve uitdaging.


Heb geduld en verwacht geen snelle oplossing. Onderpresteren ontwikkelt zich meestal geleidelijk, over een langere periode. Het herstel kost daarom ook tijd - een paar gesprekken of een korte interventie leiden zelden meteen tot ander gedrag. Duurzame verandering ontstaat door kleine, consistente stappen, niet alleen van je kind maar ook van de volwassenen eromheen [8].

Vier kleine successen. Wie vooral let op eindresultaten, mist al snel de kleine stappen ertussenin. Waardeer daarom ook dingen als een taak op tijd beginnen, zelf om hulp vragen of beter omgaan met een teleurstelling. Die momenten laten zien dat er ontwikkeling plaatsvindt en vormen de basis voor verdere groei [8].



Overweeg gestructureerde begeleiding naast school, zoals een plusklas voor hoogbegaafde kinderen in Amsterdam, waar een kind wekelijks op zijn eigen niveau wordt uitgedaagd én andere kinderen ontmoet die hetzelfde denktempo hebben.

    Uit de praktijk

    Een jongen van zes kwam bij PHI LAB terecht, nadat hij volledig was vastgelopen in het reguliere onderwijs. Thuis zagen zijn ouders een nieuwsgierig, gevoelig kind, maar op school kwam daar weinig van terug: hij haakte af, werd boos bij de kleinste tegenslag en had het vertrouwen in zichzelf als "leerling" goeddeels verloren. Hij verbleef immers meer op de gang dan in de klas en miste zo belangrijke instructiemomenten.

    In de plusklas kreeg hij voor het eerst opdrachten die aansloten bij zijn denkniveau, in een klein groepje met kinderen die hem begrepen zonder dat hij zich hoefde uit te leggen. De weerstand die hij op school liet zien, was er in deze setting aanvankelijk ook. Wat volgde was geen quick fix, maar een langzame opbouw: eerst weer plezier in leren, daarna weer bereidheid om iets te proberen dat niet meteen lukte. 
    Het gaat nu hartstikke goed met hem en hij start komend schooljaar op het voortgezet onderwijs!

    Veelgestelde vragen

    1. Is onderpresteren hetzelfde als lui zijn? Nee. Wat vaak als luiheid wordt gezien, is meestal het gevolg van vermijdingsgedrag, verveling of het ontbreken van passende uitdaging. Bij inzoomen op de leerling kan er worden vastgesteld wat die nodig heeft om tot grotere leerstappen te komen.
    2. Vanaf welke leeftijd kun je onderpresteren herkennen? Onderpresteren kan al bij kleuters zichtbaar worden, bijvoorbeeld als een kind zich aanpast naar de groep of zich juist begint te vervelen. Hoe eerder het wordt herkend, hoe kleiner de kans dat het een vastzittend patroon wordt.
    3. Kan een plusklas helpen bij onderpresteren? Een plusklas kan helpen. Een plusklas biedt structurele uitdaging op niveau én contact met ontwikkelingsgelijken; twee factoren die onderpresteren vaak juist in stand houden wanneer ze ontbreken. Aan ontwikkelingsgelijken aanpassen levert een hoog leerrendement op dan aanpassen aan het gemiddelde in de groep.
    4. Is een IQ-test nodig om onderpresteren te herkennen? Nee, een IQ-test is niet nodig om de signalen te herkennen of om de eerste stap te zetten. Bij PHI LAB start je vrijblijvend met twee proeflabs. Lees meer over de procedure op de pagina met praktische informatie.

      Tot slot

      Onderpresteren bij een hoogbegaafd kind is zelden onwil - het is eerder een teken dat een kind ergens is afgehaakt of vastgelopen, in verveling of het gemis van gelijkgestemden.
      Herkenning is de eerste stap. Passende uitdaging en aansluiting bij leeftijdsgenoten die net zo denken, is de tweede.

      1. Landelijk Kenniscentrum Hoogbegaafdheid. Thema 4: Onderpresteren. kenniscentrumhb.nl
      2. Vygotsky, L.S. (1978). Mind in Society. Harvard University Press.
      3. Dweck, C.S. (2006). Mindset: The New Psychology of Success. Ballantine Books.
      4. Renzulli, J.S. & Reis, S.M. (1992). Over curriculumcompacting bij begaafde leerlingen.
      5. Kennisrotonde (NRO). Is er een relatie tussen hoogbegaafdheid en onderpresteren? kennisrotonde.nl
      6. https://www.sidipo.nl/
      7. Deci, E.L. & Ryan, R.M. (2000). The 'what' and 'why' of goal pursuits: human needs and the self-determination of behavior. Psychological Inquiry, 11(4), 227-268.
      8. Zonneveld-Bijkerk, R. (2026). Tips voor thuis: tien tips voor ouders van (hoog)begaafde kinderen die onderpresteren. In E. van Gerven (Red.), Onderpresteren (pp. 21-22). Kenniscentrum Hoogbegaafdheid
        Privacy policy

        OK